vakantie informatie

Filippijnen: Een goed bewaard geheim

De Filippijnen zijn een goed bewaard geheim onder de meer ervaren reizigers. Het land is een beetje Indonesië, een beetje Brazilië en een beetje Verenigde Staten. Na 12 uur vliegen kom ik aan in de Filippijnse hoofstad Manila. Onderweg naar mijn hotel is het erg druk met taxi’s, auto’s, fietsers, riksja’s en felgekleurde bussen en jeepneys. Ik ben al in zoveel Aziatische landen geweest, maar de eerste indruk van de Filippijnen is toch net weer even anders. Rommelig maar gezellig, zou ik willen zeggen. Intramuros is het koloniale hart van Manila. Het is het enige oude dat nog over is: de stad heeft aan het eind van de Tweede Wereldoorlog erg geleden als slagveld tussen de Japanners en Amerikanen.

Hoewel Intramuros maar een paar vierkante kilometer beslaat is het toch nog zoeken naar de meest prominente gebouwen. De San Agustin kerk bijvoorbeeld, werelderfgoed en de oudste kerk van de Filippijnen. De kerk is van buitenaf gezien niet al te aantrekkelijk. Via het aangrenzende klooster kun je naar binnen, en dat is zeker de moeite waard. Het klooster zelf trouwens ook, een oase van rust in het hectische Manila. Schuin tegenover ligt het Casa Manila, een koloniaal huis dat je kunt bezichtigen met veel sierlijke, donkere houten meubels. Net als het meeste van Intramuros is het een reconstructie. In de ‘hoofdstraat’ General Luna zit ook een drie verdiepingen tellende winkel (Silia) met handwerk en kunst vanuit de hele Filippijnen. Dit is een fantastische winkel voor souvenirs. Bijna alles is van hout of riet. De overgebleven tijd in Manila spendeer ik in de moderne gedeeltes. In de enorme winkelcentra naar Amerikaans voorbeeld zoals Robinson’s. Je kunt er uren rondkijken, ze hebben Engelstalige boekwinkels en restaurants die de hele wereldkeuken vertegenwoordigen. Ook reis ik rond met de LRT, een soort bovengrondse metro. Deze is schoon en stevig bewaakt. Er zijn zelfs aparte treinstellen voor vrouwen!

De bergen in
Om 7.45 uur ben ik al op het Philippine Rabbit busstation. Ondanks dat de bus er al staat en de motor draait, is het toch nog een uur wachten tot hij echt vertrekt. Dan zitten er zo’n vijftien mensen in, onder wie (jawel) twee Nederlanders: de eerste toeristen die ik hier zie. Het eerste uur van de rit gaat door de buitenwijken van Manila, erg armoedig en nog eens extra triest door de regen die ook vandaag de stad weer treft. Daarna volgt een stuk snelweg, dat schiet lekker op. Lang duurt het plezier echter niet. We rijden uiteindelijk dwars door allerlei grote steden. Iedere stad heeft zijn rij fastfood-restaurants, als een klein Manila. Pas na een uur of vijf komen we in het groen, in de bergen. Hier is het voor het eerst echt mooi, en begin ik zin te krijgen in de komende dagen in de bergen. Baguio is een vrij grote stad geplakt tegen een berghelling. Er is een grote straat, Session Road, met winkels en restaurants. Het lijkt er wel koopzondag! De aanwezige Filippijnen eten en shoppen er lustig op los. De volgende ochtend reis ik verder met de bus richting Bontoc. We komen door veel dorpjes. Langs de weg wordt groente verkocht, en levende kippen, konijnen en biggetjes. Uit de gesprekjes met mijn buurman maak ik op dat ik het wel kan vergeten vandaag nog in Banaue aan te komen, mijn geplande reisdoel voor vandaag. We arriveren pas na drieën in Bontoc, en op dat tijdstip rijden er volgens hem al geen bussen of jeepneys meer naar Banaue. Daarom richt ik mijn vizier maar op Sagada, dat ligt maar drie kwartier van Bontoc en moet dus voor de duisternis te halen zijn. Een lekke band van onze bus brengt Sagada opeens nog een stuk dichterbij. Achter ons stopt een andere bus die rechtstreeks naar Sagada rijdt. Ik stap dus snel over. Alleen achterin is nog plaats, dus zo slinger ik het laatste uurtje in de bus over de steeds slechter wordende wegen. Om een uur of drie zijn we in Sagada. De bus stopt op het marktplein. Het centrum van dit plaatsje blijkt vreselijk compact te zijn: in een paar stappen kom je bij de belangrijkste punten. Ik overnacht in het Olahbinan Resthouse. Dat ziet er goed uit en ik word er vriendelijk onthaald. Laat ik hier maar drie dagen blijven!

Wandelen
‘s Ochtends beginnen de hanen al voor vijven te kraaien. Ik blijf nog liggen tot 8.30 uur, ik heb geen wilde plannen vandaag. Ik bestel voor 50 cent een toast-met-jam-en-thee ontbijtje in een klein cafe. Daarna wandel ik een stuk over de weg richting Bontoc. In deze buurt staan de mooiere huizen. Het centrum van Sagada daarentegen is net een Nepalees bergdorp. Daarna waag ik me aan een korte wandeling via de tourist information. Een vrouwelijke gids neemt me mee langs de kerk naar de Echo Vallei, met uitzicht op de hangende grafkisten. De kerk is een van de weinige oude gebouwen in Sagada, en staat op een fraaie plek in het groen naast het ook al koloniaal imposante ziekenhuis. Er is plaats voor vele gelovigen – Sagada telt toch nog zo’n 13.000 zielen. Via een paadje over de moderne begraafplaats lopen we naar de andere kant van de heuvel. Dit is de toegang tot de Echo Vallei, met rotsen en grotten die het geluid weerkaatsen. Aan de overkant van de vallei kun je de hangende grafkisten zien. Dit was en is tot op zekere hoogte nog steeds de traditionele manier van begraven bij de Igorot, de bergvolken. Ook nu nog worden er af en toe oudere mensen in hun grafkist opgetakeld, of in een grot begraven. De volgende dag maak ik samen met een gids een wat langere wandeling naar de Lumiang grot. Het is een leuke tocht, het laatste stuk een beetje glibberend bergafwaarts richting de grot. De toegang is afgesloten met een groot hek omdat er in het verleden gestolen is uit de grafkisten. Of het dan helpt om de sleutel op een wel heel voor de hand liggende plaats te verstoppen weet ik niet. In de grot zelf liggen enkele tientallen grafkisten zichtbaar opgestapeld. In het zwarte gat beneden werden de dode criminelen gegooid, aldus de gids. Dat gat vormt ook de toegang tot het ondergrondse gangenstelsel van alle grotten in deze omgeving. Per jeepney verlaat ik Sagada voor Bontoc. Daar stap ik, na enig zoeken, over op de bus naar Banaue. Na twee uur rijden komt Banaue in zicht. Ook dit is een langgerekt dorp. De bus zet me bovenaan de weg af, de rest van de passagiers gaat nog een paar dorpen verder. Ik word meteen aangesproken door een jongen die me wel een hotel wil aanbevelen, maar ik loop lekker zelf het centrum in. Daar vind ik de Greenview Lodge er goed uitzien, en een kamer is snel geregeld.

Bangaan
Ondanks de regen ga ik de volgende dag toch maar op pad naar Bangaan. Dit is een van de plekken waar de mooiste rijstterrassen in de omgeving liggen. Het dorpje ligt zo’n dertien kilometer van Banaue. Ik stap in een jeepney, maar de chauffeur vertelt me dat hij me niet helemaal kan brengen: er is vannacht een aardverschuiving geweest. En inderdaad, na een minuut of tien komen we bij een forse berg zand en stenen op de weg. Daar kun je niet meer langs, ook niet te voet. Een graafmachine is bezig de weg weer vrij te maken, en wij als passagiers staan een half uurtje aan de kant toe te kijken. Het is gelukkig droog geworden en er schijnt een wazig zonnetje. Dan geeft de man van de graafmachine een seintje dat we over de nog steeds imposante berg stenen mogen klimmen. Op handen en voeten, maar zonder kleerscheuren, bereiken we de andere kant. Daar staan al twee motorriksja’s op ons te wachten. Samen met een Filippijnse vrouw stuiter ik vervolgens vrolijk verder over de door de regen slecht geworden weg. Helaas zie je niet zoveel vanuit een riksja, bovendien krijg je de uitlaatgassen recht in je gezicht. De riksjarijder zet me af langs de kant van de weg, vanwaar je via trappen en smalle paadjes door de rijstvelden naar het dorpje Bangaan kunt lopen. Bangaan bestaat uit niet meer dan een paar traditionele houten huizen met rieten daken. Het ligt in een vallei, ingeklemd tussen spitse, groene bergtoppen en de rijstterrassen. Het is nu niet het juiste seizoen (dat schijnt maart te zijn), dus er zijn nu maar weinig velden waar echt rijst groeit. Maar dat maakt het schouwspel met de vele tinten bruin en groen er niet minder op. De dorpsbewoners zijn zo slim koele drankjes en souvenirs te verkopen. Van de rijstteelt alleen kunnen ze niet leven, daarvoor zijn de familiegronden te klein. Het gezin waar ik beland moet zeven van de twaalf maanden zelf rijst kopen. Ze wonen nog in een traditioneel huis op palen met ringen om de ratten tegen te houden en met een ladder die je binnen kunt halen tegen andere ongewenste indringers. Er is maar een ruimte waar iedereen slaapt, eet en anderszins vertoeft. Bovenin is dan nog ruimte om de rijst op te slaan. Aangezien het nog steeds droog en zelfs een beetje zonnig is, besluit ik terug te lopen naar Banaue. Dat is 13,5 kilometer bergop, bergaf zonder de mogelijkheid te verdwalen want er is maar een weg. En met de optie altijd nog een passerende jeepney of riksja aan te houden als het niet meer gaat. Nou, de eerste twee uur en zeven kilometer gaan prima. Ik loop lekker op mijn gemak en blijf maar foto’s maken van de prachtige groene vergezichten. Echt genieten hier. Daarna wordt zowel het weer als het uitzicht een stuk minder. Ik schuil nog een tijdje bij een huis waar ze me een kinderstoeltje op de veranda aanbieden om de regen af te wachten. Wanneer ik het niet leuk meer begin te vinden komt er juist een jeepney langs: aanhouden en snel naar Banaue terug! De volgende dag reis ik terug naar Baguio, als tussenstop op de route naar Vigan. Om 6.45 uur vertrek ik voor een rit van 8,5 uur. Terug in Baguio (op weer een ander busstation dan de vorige twee keer) slenter ik nog wat door de winkelstraat en eet in een leuk grillrestaurant.

Historisch Vigan
Soms lijkt het of ik hier niets anders doe dan in een bus zitten. Dit keer is het maar vijf uur, van Baguio naar Vigan. De bus van 9.00 uur is een luxe exemplaar met zelfs vaste zitplaatsen. Dat mag ook wel, want de bus is helemaal vol met Filippijnen die bepakt en bezakt op weg gaan. De airco gaat flink aan, en de conducteur probeert een video op te zetten. Ondertussen slingert de bus zich een weg naar beneden, van de bergen richting kust. Aan het begin van de middag rijden we Vigan binnen. De bus zet me af op het centrale, Zuid-Amerikaans aandoende plein. Ik laat een driewieler-riksja me naar het Villa Angela Heritage House brengen. Dit prachtige landhuis, met vier grote kamers, heb ik de komende dagen voor me alleen. Het is net alsof je in een museum woont, alleen mag je nu overal op en aan zitten. In mijn enorme slaapkamer staan onder meer een schommelstoel en een driepersoonshemelbed. Hier ga ik het wel uithouden de komende dagen! Aan het eind van de middag loop ik een rondje door de stad. Ook hier is het erg druk op straat, waarbij de bussen en riksja’s aangevuld worden met calesas (paardenkoetsjes). Deze koetsjes zijn hier in Vigan een normaal transportmiddel. Het historische centrum van Vigan is ook echt historisch en het aanzien zeer waard. Toch wel een unicum in de Filippijnen. De grote gele kerk vormt het middelpunt, en ligt aan een van de twee grote pleinen. De volgende dag is het tijd voor een uitgebreider bezoek. Via de Crisologo Street wandel ik naar het centrum. Deze straat is geheel verboden voor gemotoriseerd vervoer, een verademing. Aan deze straat liggen ook de typische historische huizen, met een winkel onder en de woonruimte boven. Nu zijn ze bijna allemaal in gebruik als souvenirwinkels die allemaal hetzelfde handwerk en T-shirts verkopen. De stad Vigan heeft echt geprobeerd wat te maken van deze straat: klinkers hebben het asfalt vervangen, en er staan om de paar meter bankjes (in de vorm van het zitje achterop de koets) en prullenbakken. Het Crisilogo Old House is een van de oude huizen waar je binnen mag kijken. Vooral beneden is het een rommeltje met de spullen van meneer Crisilogo, een befaamd politicus en oorlogsheld zo blijkt. Behalve heel veel medailles en oorkondes staat er ook een oude Amerikaanse auto met kogelgaten (waarin zijn vrouw ooit beschoten werd). Boven is het wat meer een woonhuis, maar lang niet zo mooi als ‘mijn’ Villa Angela.

Dagtocht
Ik heb een dagtocht gepland naar twee plaatsen in de provincie Ilocos Norte, Batac en Paoay. De kwaliteit van de bussen gaat zienderogen achteruit naarmate je meer buiten de grote steden komt. Dit keer tref ik een overjarige stadsbus met smalle bankjes. Maar er zijn gelukkig ook niet veel andere passagiers dus oncomfortabel is het niet. We racen over de National Highway, een soort b-weg dwars door allerlei dorpjes. Het is hier blijkbaar al tijden droog en warm in tegenstelling tot de rest van het land, ik zie brede rivierbeddingen met hier en daar een plasje water waarin vrouwen de was aan het doen zijn. Het droogt in ieder geval snel. Na anderhalf uur bereiken we Batac. Vanaf daar pak ik een jeepney naar het een paar kilometer verderop gelegen Paoay. Het is een rustig dorp. De robuuste kerk, een werelderfgoed, kun je al van verre zien liggen. Het is een breed, bulkachtig gebouw. Deze vorm, en de 26 verstevigde uitbouwsels aan de zijkanten, moet het geheel aardbevingsproof maken. Dat is blijkbaar goed gelukt want hij staat al zo’n 200 jaar overeind. In tegenstelling tot veel andere bezienswaardigheden in de Filippijnen is hier echt moeite gedaan het monument goed tot zijn recht te laten komen: er ligt een keurig onderhouden grasveld omheen en aan alle kanten is het uitzicht vrij gemaakt om de kerk onbelemmerd te kunnen bewonderen. Helaas kan ik niet naar binnen omdat de kerk gesloten is voor een lange middagpauze. Terug in Batac, Home of the Great Leaders zoals ze zelf zeggen, moet ik toch even langs het voormalig huis en het mausoleum van wijlen president Ferdinand Marcos. Zijn fraaie houten huis is helaas gesloten, maar je kunt wel naar een kleine tentoonstelling over zijn leven en werk. Het hoogtepunt is natuurlijk het goed gekoelde mausoleum(pje), waar het lichaam van Marcos er vredig bij ligt. Het lijkt nooit echt, zo’n gebalsemd lichaam. Hier overheerst de respectvolle bewondering: voor veel inwoners van deze regio is hij nog steeds een held. De belangrijkste straat van Batac is ook naar hem genoemd.

Datum artikel: 13-09-2008 Reisverhalen



Zie ook:

Een reactie toevoegen over Filippijnen: Een goed bewaard geheim

ATP vakanties