vakantie informatie

Bangladesh: Het lage land van Azië

In Bangladesh ben je als toerist een ware bezienswaardigheid. Overal waar je komt, bij alles wat je doet, word je met argusogen bekeken. Er komen niet veel toeristen, liever gaan die naar het er naast liggende India en Nepal. En dat kun je goed merken aan het Engels van de Bengalesen, dat gaat niet veel verder dan: “Where you from?”, “What’s your name?”, “You’re my friend” en “Can you take me to your country?” Bengalesen zien in toeristen een kans om het arme Bangladesh met z’n hoge werkloosheid te ontvluchten.

Maar Bangladesh is meer dan werkloosheid en armoe. In het zuiden van Bangladesh ligt Sundarbans, een enorm natuurgebied met het grootste mangrovebos ter wereld. Het bestaat uit duizenden eilandjes en strekt zich uit tot de Golf van Bengalen. De enige manier om er te komen is per boot; een ouderwetse radarboot zoals je vroeger op de Mississippi zag. De radarboot vaart niet snel, daardoor kun je uitgebreid van het landschap en de mensen genieten. Het leven speelt zich namelijk grotendeels af aan de rand van de rivieren. Tickets voor de radarboot zijn vaak al weken van tevoren uitverkocht, maar proberen kaartjes te bemachtigen kan altijd. We weten niet waar de rederij is, daarom lijkt het ons verstandig om een babytaxi te nemen. We lopen op een babytaxi af die voor ons hotel staat en vragen de bestuurder of hij ons naar de rederij kan brengen. De bestuurder begrijpt niet waar we het over hebben en roept de bestuurders van de andere babytaxi’s erbij. De een suggereert dat we naar het vliegveld willen, een ander denkt dat we op zoek zijn naar ons hotel, maar geen van allen begrijpen ze ons. Om ons heen hebben zich zo’n twintig mannen verzameld, ons eerste opstootje. Uiteindelijk worden we in een van de babytaxi’s gestopt. Een lange rit volgt waarbij we stoppen bij een bank, een vliegtuigmaatschappij en uiteindelijk na veel spookrijden en getoeter bij de rederij. We stappen opgelucht uit en willen de van tevoren afgesproken prijs van tien thakka, ongeveer dertig eurocent, betalen. De bestuurder begint te schreeuwen dat tien thakka veel te weinig is en dat hij ons meer dan een uur heeft rondgereden. Zijn geschreeuw trekt al gauw de aandacht van een aantal mannen, ons tweede opstootje. Het geschreeuw van de man richt zich nu op de toehoorders. Er wordt veel geknikt, iedereen is het met hem eens dat tien thakka voor een uur rondrijden te weinig is. We proberen de bestuurder nogmaals de tien thakka te geven, maar hij slaat onze handen weg. De toehoorders keren zich nu tegen de man. We besluiten vast naar binnen te gaan en het bekvechten aan de Bengalesen over te laten. Na vijf minuten komt er een man naar binnen lopen die zegt dat we de bestuurder vijftig thakka moeten geven. Hij begint een heel verhaal over dat wij rijk zijn en de bestuurder een arm man is die een hele familie moet onderhouden. Om van het gezeur af te zijn, geven we de bestuurder vijftig thakka.

De boot naar Sundarbans
Bangladesh, We lopen een brede trap op en worden doorverwezen naar een met tl-buizen verlichte kamer die uit alleen maar tafels en stoelen lijkt te bestaan. Van een Engels sprekende man die in het kantoor de krant aan het lezen is, horen we dat de eerstvolgende vrije plek over drie weken is, maar dan zijn we alweer weg. De man zegt dat we rustig moeten blijven zitten en geduld moeten hebben. Een andere man legt na een aantal telefoontjes de hoorn weer op de haak en deelt ons mee dat de tickets samen 1830 thakka kosten. We hebben kaartjes en de boot vertrekt vanmiddag! Die middag pakken we een babytaxi naar Badam Tole Boat Terminal. Lopen was sneller geweest, over een stuk van nog geen twee kilometer doen we bijna een uur. Maar we weten niet waar het is en onze rugzakken zijn erg zwaar. Door de blauwe walmen heen zien we fietsriksja’s die pas stoppen als ze de riksja voor zich kunnen voelen, bussen waarvan alle achterlichten kapot zijn en tuktuks die zo klein en wendbaar zijn dat ze overal tussendoor glippen zodat ze bij tijd en wijlen haaks op de rest van het verkeer staan. Allemaal denken ze dat als je maar flink toetert het vanzelf sneller gaat. Het laatste gedeelte van ons ritje gaat langs de kade. Schepen worden gelost en aan de andere kant van de straat worden de producten meteen verkocht. Bij het schip aangekomen denken we nog even dat we verkeerd zitten, het lijkt wel een spookschip. Na even zoeken vinden we iemand die ons verteld dat we toch goed zitten en gerustgesteld klimmen we aan boord. Onze hut is een smetteloos wit kamertje met aan weerszijden een smal wit bed met een ventilator erboven. Er is zelfs een klein gootsteentje. Onze rugzakken pakken we later uit, eerst genieten van het uitzicht op de rivier. Omdat er nog geen brug is, bestaat het verkeer uit bootjes. Ze vervoeren echt van alles. Een bootje vervoert zelfs een volledige huisraad, een bed, een kast, een bank en twee stoelen, de laatste inclusief kussens. De pannen, borden en kopjes liggen verspreid over de hele boot, er is zelfs nog plaats voor drie bemanningsleden. Andere bootjes doen dienst als veerboot en zijn volgeladen met mensen die naar de andere kant van de rivier moeten. Ver boven ons hoofd wordt gewerkt aan een enorme verkeersbrug. Als die eenmaal af is zal het een stuk rustiger worden op het water.

Aan het eind van de middag vertrekken we. De reis duurt ongeveer anderhalve dag. De rivieren zijn de belangrijkste wegen van Bangladesh, langzaam maar betrouwbaar en soms de enige manier van reizen. Iets later dan gepland komen we in Mungla aan, het is ondertussen donker geworden. We leggen aan bij een groot schip dat dienst doet als dok. Het duurt even voordat we aan land kunnen. Er wordt gezegd dat dit geen goede plek is. Voor de Bengalesen duurt het wachten al snel te lang, ze klimmen over de reling en springen van de boot af. De loopplank wordt uiteindelijk toch uitgelegd en we kunnen van boord. Met onze rugzakken schuifelen we langs de zijkant van het schip. We stappen over touwen heen, gaan onder touwen door en moeten oppassen dat we niet struikelen. Aan de andere kant van het schip komen we er achter dat we er nog lang niet zijn. Achter dit schip liggen nog twee schepen waar we overheen moeten. Vanaf het laatste schip loopt een heel smalle loopplank met een touw op borsthoogte waar je je aan kunt vasthouden. Via die wiebelige plank komen we uiteindelijk op de steiger. De houten steiger brengt ons vlak buiten Mungla, een paar honderd meter bij het hotel vandaan waar we willen overnachten. Onderweg krijgen we een hele menigte mannen achter ons aan, ons derde opstootje. Ze bekijken ons alsof ze nog nooit blanken hebben gezien. Bij het inchecken in het hotel duwen ze elkaar bijna weg voor het traliewerk, wat als afscheiding tussen het hotel en de straat dient, om ons te zien.

Op pad met Hussain
Bangladesh, volgeladen boot Nadat we onze rugzakken in onze kamer gezet hebben, gaan we met een hand vol visitekaartjes op zoek naar een kapitein die ons wil meenemen naar Sundarbans. We kiezen uiteindelijk voor Hussain, de man die ons aangeraden is. We spreken met hem af dat we de volgende ochtend om zes uur zullen vertrekken. Hussain beloofd ons om kwart voor zes op te halen bij het hotel en vraagt of we misschien nu al in z’n boek willen schrijven hoe we het morgen gaan vinden. Hij houdt zo de ervaringen bij van westerse reizigers die met hem mee zijn geweest naar Sundarbans. Om precies kwart voor zes is Hussain er. Hij neemt ons mee naar zijn boot. De boot is in vrolijke kleurtjes geschilderd, lichtblauw, rood en geel. Daar omheen liggen soortgelijke vrolijke bootjes. Om aan boord te komen moeten we over een loopplank die deze keer niet alleen erg wiebelig maar ook heel erg glibberig is. In de kajuit is het rommelig. Hussain heeft een bank naar binnen gesleept die net niet past en nu halverwege klem zit.

Sundarbans is anders dan we dachten. De mangroven zien er niet uit zoals we ons voorgesteld hadden. Geen enorme bomen met wortels diep in het water en lianen aan alle takken. In de reisgids hebben we gelezen dat hier veel wilde dieren en vogels leven, waaronder de Bengaalse tijger en een aantal grote roofvogels zoals gieren. De Bengaalse tijger komen we niet tegen, wel zien we verschillende soorten ijsvogeltjes, allemaal prachtig felblauw. Heel af en toe zie je apen hoog in de bomen, maar het zijn vooral heel veel bomen, planten en bloemen die we zien die voor een ondoordringbaar bladerendek zorgen. Je kan hooguit een meter of vijf landinwaarts kijken. Overal zie je kleine dorpjes en mensen die in en bij het water bezig zijn. Vrouwen staan met sari en al in het water en slepen een groot net achter zich aan om die vervolgens op het droge om te kieperen om te kijken wat ze gevangen hebben. Kinderen vangen krabbetjes op het land en spelen in de rivier. Oudere meisjes wassen kleren en mannen repareren hun netten. De zee ligt hier vijftig kilometer vandaan en toch hebben ze hier getijden. Het water stijgt in een uur tijd twee meter, hele kleistranden verdwijnen. Boten die net nog aan wal lagen, drijven nu drie meter van het land vandaan. Kleine stroompjes worden hele rivieren, soms wel meer dan twee keer zo breed.

Na een vermoeiende dag zet Hussain ons uiteindelijk af bij het busstation naar Khulna vanwaar we verder door Bangladesh gaan reizen.

Datum artikel: 8-05-2008 Reisverhalen



Zie ook:

Een reactie toevoegen over Bangladesh: Het lage land van Azië

ATP vakanties